Theater met kinderen

Ik was heel erg blij toen ik theaterlessen mocht gaan geven in een weeshuis. Heerlijk! Nu kon ik dat wat ik geleerd had tijdens de laboratoria van Theater van de Onderdrukten ècht gaan inzetten met mensen die het nodig hadden! Maar toen de 20 stuiterballen (jongens van 10 à 11 jaar) op me los gelaten werden, kwam ik amper (of “niet”) aan theatermaken toe. Veel van de opwarmingsoefeningen beginnen in een cirkel of bijvoorbeeld in twee rijen tegenover elkaar. Maar alleen al het maken van een cirkel of een rechte lijn bleek een enorme uitdaging te zijn met deze 10 jarige jongens. Hun energie en aandacht was all over the place, en “niet bij mij” had ik het gevoel. Wat moest ik nu doen, als een cirkel maken niet lukt? 

Verbaal heb ik natuurlijk van alles geprobeerd “kom op nou jongens” of “hé Amine, doe je ook even mee?” of “Mohammed en Soufian, niet aan elkaar zitten lieve schatjes. Ik weet dat jullie elkaar heel lief vinden, maar nu ff in de kring.” En was een vrouwelijke begeleider uit het weeshuis bij die vooral streng optrad, maar het had allemaal niet zo heel veel zin. Ik weet niet hoe ik het overleefd heb, maar ik heb het overleefd. 

Wat moest ik doen? 

Vooral heel erg herzien wat ik hier kwam doen. En wat theater is. 
De bedoeling was dat ik met de kinderen een voorstelling zou gaan maken die dan tijdens een festival gespeeld zou worden. En heel eerlijk gezegd, het was pas iets van twee weken voor de voorstelling dat het kwartje viel. Ik was echt bang dat mijn voorstelling niet goed genoeg zou zijn, het was een rommeltje, ik had 20 stuiterballen die twee weken voor de voorstelling nog amper wisten wat ze moesten doen. Bovendien waren de kostuum rijkelijk te laat en wist ik niet of we de kans zouden hebben om met kostuums te repeteren. Maar het belangrijkste in mijn hoofd was de stem “Ik zal de slechtste voorstelling hebben van al mijn collega’s.” En al mijn innerlijke smoesjes van “ja maar, ik werk met weeskinderen en zij werken met gewone kinderen, werkten gewoon niet.” Twee weken van tevoren dacht ik nog “Misschien moet ik tegen mijn baas zeggen dat ik niet speel op het festival.” Ik werkte op dat moment in dienst van een theatergezelschap. En toen kwam de vraag: Voor wie doe ik dit?

Ja. Je raadt het al. 

Daar is maar één fatsoenlijk antwoord op te geven en dat is mijns inziens meteen het antwoord op de vraag wat kunst is… Dus, als de kinderen wilden spelen, dan gingen we spelen. En dan zou ik zorgen dat het voor hun een goeie, positieve ervaring zou zijn. Potdomme, wat liep ik te zeuren over “goed genoeg”? Die koters gingen eindelijk op pad het weeshuis uit en zelfs op een podium staan! Ze zouden mij aan hun zijde moeten vinden, wat er ook gebeurt.

Het is een beetje cliché om nu te zeggen dat de voorstelling een succes was, maar dat is wel wat er gebeurde. En meer nog, de kleine egotripper die ik ben, heeft een belangrijk lesje geleerd. Het gaat om de inhoud. En dan bedoel ik niet alleen de inhoud van het stuk, maar veel meer nog, de kwaliteit van de relaties die je met mensen aangaat. 

Het jaar erop heb ik de benadering wat veranderd. We hebben de groep opgedeeld in twee groepen van 10. Dat gaf meer ruimte aan ieder van de deelnemers. Maar ik ben me ook veel meer gaan aanpassen aan waar zij op dat moment waren. Minder gebruik makend van de wat standaard theateroefeningen, ben ik meer rustige dingen gaan doen en hun meer de kans gegeven tot rust te komen. Ik heb hun veel verhalen verteld en hun de kans gegeven verhalen te vertellen, soms verhalen die ze van oma of andere familieleden gehoord hebben. Ik heb veel van de kinderen geleerd. Met name toen het project afgelopen was en we na de voorstelling nog eens in de gang van het weeshuis stonden na te kletsen, toen hebben ze me veel verteld over hoe het leven er is het weeshuis aan toe gaat. Ik denk dat het geen toeval is dat het weeshuis me het jaar erop niet uitgenodigd heeft terug te komen. Ik denk dat ze het ongemakkelijke gevoel begonnen te krijgen dat de kinderen met mij de wantoestanden van het weeshuis begonnen te delen.